Zelfs al geldt er een uitsluitingsclausule, als een kind overlijdt gaat het familievermogen door de wettelijke verdeling toch naar de langstlevende ‘koude kant’. Kan dat anders geregeld worden?

Voorbeeld
Als Jan overlijdt, laat hij zijn dochter Linda als zijn enige erfgename na. De erfenis is € 600.000,-. Linda is op huwelijkse voorwaarden getrouwd met Kees. Samen hebben ze twee kinderen (Jan’s kleinkinderen). Het testament van Jan zegt (uitsluitingsclausule): “ al hetgeen een erfgenaam verkrijgt, blijft altijd diens privévermogen, ongeacht wat de erfgenaam anders heeft geregeld ”.
Zes maanden later overlijdt Linda. Ze heeft geen testament. Volgens de wet heeft zij drie erfgenamen: Kees en hun beide kinderen. Nu de ‘wettelijke verdeling’ geldt, wordt de gehele erfenis van Linda toegedeeld aan haar echtgenoot Kees. Die wordt enig eigenaar van haar vermogen, inclusief de € 600.000,- die Jan haar heeft nagelaten. Kees kan daarmee doen wat hij wil. De kinderen krijgen slechts een vordering op hun vader voor de waarde van hun erfdeel. Dit is normaliter pas opeisbaar als Kees overlijdt.

Via de omweg van de wettelijke verdeling komt de nalatenschap van Jan dus toch terecht bij Kees (‘de koude kant’). Dit ondanks de huwelijkse voorwaarden en ondanks de uitsluitingsclausule. De (klein)kinderen zijn niet in beeld, want plaatsvervulling speelt niet. Dat zou anders zijn als Linda voor haar vader Jan zou zijn overleden. Dan treden haar kinderen als erfgenamen van hun opa Jan in haar plaats (en dus niet echtgenoot Kees). Ieder van de kinderen had dan recht op € 300.000,-.
Verwacht mag worden dat het geld van Jan (of wat daarvan rest) uiteindelijk na overlijden van schoonzoon Kees toch bij zijn kleinkinderen terechtkomt. Eventueel had Linda een testament kunnen maken waarbij zij dat zelf regelt. Blijkbaar heeft ze dat niet gedaan.

Zelf regelen in testament
Om er zeker van te zijn dat zijn erfenis na overlijden van Linda naar zijn kleinkinderen gaat (en niet naar Kees), had Jan in zijn testament een ‘tweetrapsmaking’ kunnen maken. Aldus bepaalt Jan dat de € 600.000,- (of het restant), na Linda’s overlijden direct naar haar kinderen (zijn kleinkinderen) gaat. Voor dat bedrag geldt de wettelijke verdeling niet. Deze geldt dan alleen voor het overige vermogen dat Linda nalaat.
Deze tweetrapsmaking levert ook fiscaal voordeel op. De eerste verkrijger (Linda) wordt voor het gehele bedrag belast voor de erfbelasting. Wat er na haar overlijden overblijft en daarna wordt verkregen door haar kinderen, wordt ook bij de kinderen (de kleinkinderen van Jan) belast. Op die verkrijging is het tarief van toepassing zoals dat geldt tussen ouders en kinderen (max. 20%). Dat is lager dan het tarief dat geldt tussen opa en kleinkinderen (max. 36%).

Voor goed bewijs moet het vermogen waarvoor de tweetrapsmaking geldt, apart worden geadministreerd. Gaat het alleen om een geldbedrag, dan kan dat vrij simpel. Als Linda de € 600.000,- ontvangt, opent ze een aparte bankrekening en stort daarop het bedrag onder vermelding van ‘nalatenschap Jan’. Na het overlijden van Linda is dan voor iedereen (zeker voor Kees) duidelijk dat het bedrag dat op die rekening staat, toekomt aan de (klein)kinderen. Ieder van hen kan direct aanspraak maken op de helft!