Winst BV meetellen voor alimentatie?

Als een DGA gaat scheiden, moet dan bij de vaststelling van het alimentatiebedrag niet alleen rekening worden gehouden met zijn DGA-loon, maar ook met de winst van de BV?

In de casus speelt de volgende situatie:
Henk is DGA van H Holding-BV en van H Werk-BV. Het geregistreerd partnerschap met Trees wordt ontbonden. Het gemeenschappelijk vermogen moet worden verdeeld. Ieder van de ex-partners heeft recht op de helft van de waarde. Daaruit volgt dat Trees recht heeft op € 300.000,-.
Trees wil ook maandelijks € 4.850,- aan alimentatie. Jarenlang heeft ze met Henk ‘een luxe leven’ geleid en dat wil ze kunnen voortzetten. Henk vindt het gevraagde alimentatiebedrag veel te hoog. Als directeur van H Werk-BV heeft hij een brutojaarloon van € 79.815,-. Volgens Trees moet niet alleen het jaarloon van Henk in de berekening van de hoogte van de alimentatie worden meegenomen, maar ook de winst die in beide BV’s wordt gemaakt.

Bij de vaststelling van de hoogte van de alimentatie moet de rechter rekening houden met alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval. Daartoe behoren de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van de ex-partners. Daaruit blijkt immers in welke mate van welstand ze hebben geleefd. Ook moet rekening worden gehouden met de reële en te verwachten inkomsten van de onderhoudsplichtige (Henk) en de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (Trees).
Uit de geconsolideerde jaarcijfers van de beide BV’s blijkt dat de winst al enkele jaren een dalende lijn vertoont. Dit komt vooral door teruglopende omzet bij de belangrijkste klant van H Werk-BV. Dus moet de winst volgens Henk in de BV blijven om financiële tegenvallers op te vangen en om toekomstige investeringen te doen. Trees vindt dat onzin. De volledige winst is jarenlang op de spaarrekening gestort. Daaruit blijkt dat er geen geld is gereserveerd voor investeringen. Als de winst bij het jaarloon wordt opgeteld, heeft Henk geld genoeg voor zijn alimentatieverplichting.

Een brutojaarloon van € 79.815,- voor een DGA is volgens het Gerechtshof Den Haag, 21.09.2016 (GHDHA:2016:2751) , vanuit het vennootschappelijk belang gezien marktconform. Ook stelt het Hof vast dat H Werk-BV kwetsbaar is omdat deze afhankelijk is van een grote afnemer die dreigt weg te vallen, zodat de DGA opnieuw investeringen moet doen. Het is dus redelijk dat er geld wordt gereserveerd ter dekking van die investeringen en het DGA-salaris.
Daar komt bij dat voor een besluit tot dividenduitkering door de BV-directie een uitkeringstest moet worden gedaan voordat er winst kan worden uitgekeerd. Er mag geen dividend worden uitgekeerd als de directie weet (of behoort te weten!) dat de BV niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. Door haar stamrecht- en pensioenverplichtingen kan H Holding-BV geen uitkeringen doen.
Daarnaast vindt het Hof dat de waarde van de aandelen reeds tussen partijen is verdeeld, zodat het betrekken van de reserves bij het inkomen van Henk een dubbeltelling zou betekenen. Het Hof beslist dus dat Henk ‘slechts’ € 1.773,- i.p.v. € 4.850,- bruto per maand hoeft te betalen.

2017-03-30T10:35:06+00:00 3 november, 2016|