De Hoge Raad heeft vrijdag bepaald dat de huurinkomsten van mensen die hun tuinhuis of een ander deel van de eigen woning via bijvoorbeeld Airbnb verhuren toch in box 1 belast moeten worden. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde vorig jaar nog dat zulke inkomsten onder box 3 vallen, de rechtbank vond eerder dat de inkomsten helemaal niet belast hoeven worden. Met het arrest van de Hoge Raad is die kwestie nu definitief beslecht.

Tuinhuis op Airbnb

Het echtpaar waar de zaak om draait begon in 2015 met het verhuren van hun tuinhuis via Airbnb. Dat leverde het eerste jaar ruim € 3.500 op. Het bedrag werd niet opgegeven bij de IB-aangifte, wel werd de fiscus in mei 2016 ingelicht over de verhuur. In 2017 legde de fiscus alsnog een navorderingsaanslag op. Een kleine € 2.500, zijnde 70% van de inkomsten, werd tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend.

Daar ging het echtpaar echter niet mee akkoord. Er wordt maar een deel van de woning verhuurd, betoogden ze, dus is inkomstenbelasting niet van toepassing. De rechtbank was het daarmee eens: in de Wet IB 2001 wordt alleen gesproken over tijdelijke verhuur van de gehele woning.

Uitspraak gerechtshof: box 3

Het gerechtshof overwoog in hoger beroep in juli vorig jaar dat het tuinhuis slechts tijdelijk als hoofdverblijf aan het echtpaar ter beschikking staat. ‘Het tuinhuis kan in dat geval niet tot de eigen woning worden gerekend.’ De inkomsten uit de verhuur zijn dus niet als belastbare inkomsten uit eigen woning aan de heffing van inkomstenbelasting onderworpen. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof wél dat het tuinhuisje zelf  in box 3 in aanmerking moet worden genomen. Het tuinhuis behoort immers niet tot de eigen woning. ‘Uit het systeem van de wet volgt dat het tuinhuis dan behoort tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen.’

Uitspraak Hoge Raad: box 1

De Hoge Raad komt nu weer met een ander oordeel en verwijst daarbij naar de wetsgeschiedenis. Daaruit komt naar voren dat een woning die door de belastingplichtige tijdelijk aan derden ter beschikking is gesteld, bijvoorbeeld tijdens een vakantie, toch als eigen woning voor de belastingplichtige wordt aangemerkt door aan die woning het karakter van hoofdverblijf gedurende die periode niet te ontnemen.

Aan die intentie van de wetgever om geen gevolgen voor de toepassing van de eigenwoningregeling te verbinden aan de tijdelijke terbeschikkingstelling van een eigen woning aan derden, zou onvoldoende recht worden gedaan als zou worden aanvaard dat de tijdelijke terbeschikkingstelling van een gedeelte van of aanhorigheid bij een eigen woning aan derden tot een ander gevolg zou leiden dan de tijdelijke terbeschikkingstelling van de gehele woning.

Daarom moet ervan worden uitgegaan dat tijdelijke terbeschikkingstelling van een eigen woning of een gedeelte van, dan wel aanhorigheid bij, een eigen woning aan die woning niet het karakter van eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 ontneemt. Voor die gehele woning blijft in die perioden gelden dat zij geacht wordt anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan aan de belastingplichtige of aan tot diens huishouding behorende personen.

Het oordeel van het Hof dat het tuinhuis door de tijdelijke verhuur slechts tijdelijk als hoofdverblijf aan het echtpaar ter beschikking stond en dat de eigenwoningregeling in de Wet IB 2001 niet op dat tuinhuis van toepassing is, berust volgens de Hoge Raad dan ook op een onjuiste rechtsopvatting.