Op 14 april jl. heeft staatssecretaris Vijlbrief van Financiën een aantal aanvullende fiscale maatregelen vanwege de coronacrisis aangekondigd. Er komt een versoepeling van bepaalde wettelijke administratieve verplichtingen voor de loonheffingen en de werkgever die een vaste reiskostenvergoeding uitkeert, hoeft deze niet aan te passen als werknemer thuiswerken. Daarnaast blijft de uitleen van zorgpersoneel buiten de btw-heffing en voor de gratis verstrekking van medische hulpmiddelen aan zorginstellingen, zorginrichtingen en huisartsen hoeft geen btw betaald te worden. 

Ook heeft het kabinet aangegeven in gesprek te blijven met belangenorganisaties, ondernemers en burgers uit de samenleving over de gevolgen van het coronavirus en probeert zij zodra er knelpunten gesignaleerd worden tot een oplossing te komen. Wij volgen deze ontwikkelingen op de voet dus houd onze website in de gaten zodat u steeds op de hoogte bent van de nieuwste ontwikkelingen.

De nieuwe fiscale maatregelen op een rij:

BTW gevolgen voor zorgpersoneel en medische hulpgoederen en – apparatuur
De inzet van zorgpersoneel en de aanwezigheid van voldoende medische hulpmiddelen is tijdens de coronacrisis zeer noodzakelijk. Daarom wordt, meer dan normaal het geval is, zorgpersoneel in- en uitgeleend. Dit gebeurt niet alleen door zorginstellingen, -inrichtingen en zorgverleners, maar ook door andere bedrijven die zorgpersoneel kunnen uitlenen zoals uitzendbureaus. Daarnaast verstrekken ondernemers gratis specifieke medische hulpmiddelen aan zorginstellingen, -inrichtingen en huisartsen.

Het is ongewenst dat de btw-regels voor de uitleen van personeel en de gratis verstrekking van de hulpmiddelen in de huidige coronacrisis leiden tot extra financiële of administratieve lasten. De Europese Commissie heeft een vrijstelling van invoerrechten en btw geregeld voor de invoer van goederen die nodig zijn in de bestrijding van het coronavirus. Deze maatregelen door de Europese Commissie zijn door de Minister van Buitenlandse Zalen aangekondigd in de kamerbrief van 6 april 2020. Daarnaast worden de volgende twee tijdelijke maatregelen getroffen. Deze maatregelen kunnen met terugwerkende kracht worden toegepast vanaf 16 maart 2020 en zullen gelden tot 16 juni 2020 (3 maanden).

  1. De uitleen van zorgpersoneel blijft buiten de heffing van btw. Het maakt daarbij niet uit wie de uitlener is. Wel gelden er enkele voorwaarden om te verzekeren dat het btw-voordeel van de goedkeuring ook daadwerkelijk bij de zorginstelling of zorgverlener terecht komt. Dit zijn de volgende voorwaarden: de inlener moet een zorginstelling of zorginrichting zijn die de btw-vrijstelling toepast. De uitlener mag alleen de brutoloonkosten in rekening brengen aan de inlener, eventueel verhoogd met een kostenvergoeding van maximaal 5% en er mag met deze uitleen geen winst worden beoogd of gemaakt. Deze maatregel heeft geen invloed op de aftrek van voorbelasting van de uitlener. Dit betekent bijvoorbeeld dat een uitlener die normaal gesproken voor de btw belaste prestaties levert en daardoor de inkoop-btw kan aftrekken, hij deze inkoop-btw ook nu kan blijven aftrekken.
  2. Voor de gratis verstrekking van medische hulpmiddelen aan zorginstellingen, zorginrichtingen en huisartsen hoeft geen btw betaald te worden. Daarnaast heeft deze verstrekking geen gevolgen voor de aftrek van de inkoop btw van deze verstrekker. Hierdoor kan bijvoorbeeld, net als bij punt 1, een ondernemer die normaal gesproken voor de btw belaste prestaties levert en daardoor de inkoopbtw kan aftrekken, deze inkoop-btw ook in deze situatie blijven aftrekken. De aftrek van de inkoop btw op kosten van de gratis medische hulpmiddelen wordt bepaald op basis van de reguliere bedrijfsactiviteiten van de ondernemer. De gratis verstrekking van de hulpmiddelen wordt hier niet als reguliere bedrijfsactiviteit beschouwd.

Verlaagd btw-tarief sportscholen
Veel sportscholen en dergelijke ondernemers bieden in deze periode waarin mensen zoveel mogelijk thuis moeten blijven online sportlessen aan. Het beleidsbesluit bevat de tijdelijke goedkeuring dat het verlaagde tarief dat geldt voor het aanbieden van een sportaccommodatie voor actieve sportbeoefening ook geldt voor de situatie dat deze sportlessen online aangeboden worden.

Grensarbeiders
Grensarbeiders die gedurende de coronacrisis thuiswerken (thuiswerkdagen) of die niet kunnen werken en thuis moeten blijven met behoud van loon (thuiszitdagen) kunnen op grond van belastingverdragen te maken krijgen met een verschuiving van het heffingsrecht over (een deel van) hun inkomen van werkstaat naar woonstaat. Dit leidt voor deze grensarbeiders tot onzekerheid, administratieve lasten en kan negatieve inkomenseffecten hebben.

Thuiswerkdagen
Als gevolg van de coronacrisis werken veel mensen thuis. Met Duitsland is bilateraal een oplossing overeengekomen voor grensarbeiders in loondienst die thuiswerken in hun woonstaat. Nederland en Duitsland hebben afgesproken dat belastingplichtigen in afwijking van het verdrag de extra thuiswerkdagen in verband met corona mogen behandelen conform waar onder normale omstandigheden zou worden gewerkt (de “reguliere” werkstaat). Het inkomen met betrekking tot de extra thuiswerkdagen moet dan in het andere land wel daadwerkelijk worden belast. Uiteraard mag een belastingplichtige er voor kiezen een beroep te doen op de letterlijke verdragstekst, waardoor het heffingsrecht wel naar de woonstaat (thuiswerkstaat) verschuift. Deze afspraak is vastgelegd in een overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Duitsland en geldt van 11 maart tot en met 30 april en wordt daarna van maand tot maand verlengd tot één van beide landen de afspraak opzegt. Met België is overleg over de behandeling van thuiswerkdagen nog gaande. Tijdelijke inactiviteit

Als gevolg van de coronacrisis zitten veel mensen gedwongen thuis zonder te kunnen werken, maar met behoud van salaris. Dit kan het geval zijn als het bedrijf waarvoor zij werken de deuren tijdelijk moet sluiten. Duitsland, België en Nederland zijn het erover eens dat loondoorbetaling voor een periode van tijdelijke inactiviteit fiscaal dient te worden behandeld conform waar onder normale omstandigheden zou worden gewerkt. Een inwoner van België die onder normale omstandigheden in Nederland werkt, maar nu zonder te werken thuis blijft, blijft dus zoals voorheen in Nederland belast. Dit zien Duitsland, België en Nederland slechts als bevestiging van een bestaande interpretatie van het belastingverdrag.

Duitse sociale zekerheidsuitkeringen
Als gevolg van de coronacrisis zal een toenemend aantal grensarbeiders die in Nederland wonen een Duitse inkomensondersteuning krijgen in de vorm van een netto socialezekerheidsuitkering. Waar Nederland werkgevers ondersteunt bij loondoorbetaling, keert Duitsland bij een vermindering van werkuren “Kurzarbeitergeld” uit aan werknemers. Daarnaast wordt verwacht dat als gevolg van de coronacrisis een toenemend aantal inwoners van Nederland “Insolvenzgeld” of “Arbeitslosengeld” zal ontvangen. Deze Duitse socialezekerheidsuitkering(en) zijn op het nettoloon afgestemd en zijn derhalve in Duitsland vrijgesteld van belasting. Als deze uitkeringen (tezamen met bepaalde andere) Duitse (socialezekerheids)uitkeringen in een kalenderjaar € 15.000 of minder bedragen, wijst het belastingverdrag met Duitsland het heffingsrecht over deze Duitse netto-uitkeringen toe aan Nederland. Met als ongewenst gevolg dat Nederland dan zou heffen over een door Duitsland betaalde netto-uitkering van een grensarbeider die normaal in Duitsland had gewerkt en daar zou zijn belast voor zijn salaris.

Als onderdeel van het bij deze brief toegevoegde beleidsbesluit wordt goedgekeurd dat Nederland, kort gezegd, Kurzarbeitergeld, Insolvenzgeld en Arbeitslosengeld voor zover dat geacht wordt te zijn verkregen als gevolg van corona(maatregelen) vrijstelt van belasting. Deze vrijstelling geldt voor de periode van 11 maart 2020 tot en met 31 december 2020.

Versoepeling administratieve lasten en de reiskostenvergoeding in de loonheffingen
Bepaalde wettelijke administratieve verplichtingen loonheffingen

Werkgevers hebben voor de loonheffingen bepaalde wettelijke administratieve verplichtingen. De huidige bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat werkgevers deze verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel kunnen nakomen. Zo geldt bijvoorbeeld de plicht van de werkgever om de identiteit van de werknemer vast te stellen aan de hand van het originele identiteitsbewijs. Als een werkgever een werknemer niet tijdig kan identificeren, kan dit leiden tot een toepassing van het zogenoemde anoniementarief. Dit is een vast tarief van 52%.

Een dergelijk gevolg van het niet kunnen nakomen van een administratieve verplichting vind ik in deze omstandigheden ongewenst. Daarom neemt de Belastingdienst in deze situaties een soepel standpunt in als een werkgever of werknemer de tekortkoming in de administratieve verplichting voor zover mogelijk herstelt zodra dit kan. Voor het voorbeeld van de identificatieplicht betekent dit dat de toepassing van het anoniementarief achterwege kan blijven als de werkgever de identiteit van de werknemer alsnog vaststelt zodra hij daar in redelijkheid toe in staat is.

Vaste reiskostenvergoeding
Voor reiskosten bestaat de mogelijkheid een vaste onbelaste vergoeding af te spreken, bijvoorbeeld voor het woon-werktraject. Voor veel werknemers leiden de maatregelen rondom de coronacrisis wat betreft de kosten van vervoer tot een verandering van hun reispatroon. Die verandering kan meebrengen dat een werkgever de vaste reiskostenvergoeding moet aanpassen of geheel of gedeeltelijk tot het loon moet rekenen. Dit vind ik in deze bijzondere omstandigheden ongewenst. Daarom wordt in het beleidsbesluit geregeld dat de werkgever die een vaste reiskostenvergoeding aanbiedt hier nu in deze thuiswerktijden geen gevolgen aan hoeft te verbinden. Dit betekent dat de werkgever voor deze periode mag blijven uitgaan van het reispatroon waar de vergoeding al op gebaseerd was.

Belasting van personenauto’s en motorrijwielen
Als gevolg van de coronacrisis legt de RDW de prioriteit bij cruciale keuringen. Ook komen de importkeuringen momenteel weer stap voor stap op gang. Dit heeft ongewenste gevolgen voor de toepassing van enkele bepalingen in de weten regelgeving omtrent de bpm die samenhangen met de inschrijving in het kentekenregister. Daarom zijn voor de bpm drie tijdelijke maatregelen getroffen.

De eerste maatregel ziet op de vrijstelling kortstondig gebruik. Deze vrijstelling wordt onder andere gebruikt om met een in het buitenland aangeschaft motorrijtuig naar de RDW te rijden voor de keuring en inschrijving in het Nederlands kentekenregister. Deze maatregel bevat een goedkeuring om de vrijstelling een tweede keer aan te vragen in die gevallen waarin de keuring voor het motorrijtuig niet kon plaatsvinden in verband met de corona maatregelen van de RDW.

De tweede maatregel verlengt de huidige einddatum van de overgangsregeling voor taxi’s die worden omgebouwd voor bijvoorbeeld rolstoelvervoer van tot 1 april 2020 naar tot 1 juli 2020. Door verlenging van de einddatum kunnen de geplande – maar door de coronamaatregelen vervallen – keuringsafspraken tot 1 april naar tot 1 juli verplaatst worden.

De derde maatregel ziet op het taxatierapport dat doorgaans wordt opgemaakt vóór de keuring bij de RDW en vóór het doen van aangifte bpm. Het rapport mag niet ouder zijn dan één maand. Door de beperking in de dienstverlening van de RDW zijn keuringsafspraken komen te vervallen en wordt de termijn van één maand niet in alle gevallen gehaald. Deze maatregel verlengt de maximale geldigheidstermijn van het taxatierapport van RDW naar maximaal vier maanden.

Invorderingsrente en belastingrente
Het kabinet heeft in de brief van 17 maart als maatregel om ondernemers van meer liquiditeit te voorzien aangekondigd dat de percentages voor de invorderingsrente en belastingrente gedurende 3 maanden worden verlaagd naar 0,01%. Omdat de invorderingsrente is gekoppeld aan de betalingskorting is de verlaging van het rentepercentage niet alleen begunstigend voor ondernemers. Voor de betalingskorting wordt namelijk hetzelfde wettelijke percentage gebruikt als voor invorderingsrente, waardoor de verlaging tot gevolg zou hebben dat ondernemers nagenoeg geen aanspraak meer kunnen maken op betalingskorting. Ondernemers die menen hiervan nadeel te ondervinden, kunnen bezwaar maken, waarna de betalingskorting alsnog zal worden toegekend. Daarnaast is de mogelijkheid gevonden om bij de tijdelijke verlaging van de invorderingsrente om de te vergoeden invorderingsrente, ten gunste van burgers en bedrijven, op het bestaande niveau van 4% te houden. Dit leidt wel tot hogere dan de bij de incidentele suppletoire begroting geraamde uitgaven (ca. € 5 mln.). Dit zal bij een eerstvolgend budgettair moment verwerkt worden.