Fiscale impact van de Brexit

Met de Brexit als voldongen feit zijn fiscale gevolgen onvermijdelijk. Het Engelse bedrijfsleven zal binnen Europa aanzienlijke fiscale voordelen kwijtraken en het is maar de vraag of daar iets voor terugkomt. Ook voor het Europese bedrijfsleven met investeringen in het Verenigd Koninkrijk (VK) zal de Brexit naar verwachting niet zonder fiscale gevolgen zijn.

Brexit
Wat maar weinigen hadden verwacht, is dan toch gebeurd. Het Britse volk heeft gekozen voor een Brexit. Het VK zal de Europese Unie gaan verlaten. Omdat nog niet eerder een land uit de EU is getreden, zijn de gevolgen nauwelijks voorspelbaar. Aan het toetreden tot de EU gaat een heel proces vooraf en datzelfde zal waarschijnlijk ook gaan gelden bij uittreding. Het schokeffect van het in één keer de EU verlaten, is te groot. Dat geldt ook op belastinggebied. Niet alle fiscale voordelen voor het Engelse bedrijfsleven zullen direct worden uitgezet. Waarschijnlijk zal er overgangsrecht gaan gelden.
Gedragseffecten
Dat er echter fiscale voordelen op termijn gaan verdwijnen voor het Engelse bedrijfsleven dat investeert in Europa is met een Brexit onvermijdelijk. Als voorbeeld het binnen Europa geldende verbod op bronheffingen op intragroeptransacties (rente, dividenden en royaltybetalingen). Doel van dit verbod is het voorkomen van dubbele belastingheffing binnen de EU. Met het uittreden van het VK kan de rente, dividend of royaltybetaling die vanuit de EU wordt verricht bij het ontvangende Engelse bedrijf straks onder omstandigheden wel worden belast met Europese bronbelasting. De confrontatie met dubbele belastingheffing hangt dus boven het hoofd. Gedragseffecten zijn dan ook te verwachten. Het Engelse bedrijfsleven wil wellicht EU-voordelen behouden en dat kan door het hoofdkantoor te verplaatsen naar een Europese lidstaat om zo weer onderdeel uit te maken van de EU.

Aan de andere kant heeft de Brexit ook gevolgen voor het Europese bedrijfsleven met banden in het VK. Kijk bijvoorbeeld naar de onlangs aangenomen anti-BEPS-richtlijn. Die bevat de CFC-maatregel om te voorkomen dat winsten worden weggesluisd naar buitenlandse dochters in laagbelaste derde landen. De maatregel is niet van toepassing op Europese dochters met voldoende substance. Lidstaten kunnen ervoor kiezen om die substance-escape ook toe te passen op buiten de EU gevestigde dochters, maar zijn dit niet verplicht. Het valt daarom niet uit te sluiten dat Europese bedrijven met investeringen in Engeland dus zomaar tegen deze anti-misbruikmaatregel kunnen gaan aanlopen. Onder omstandigheden zou dit zelfs tot dubbele belastingheffing kunnen leiden.
Nieuw fiscaal regime
Het is niet ondenkbaar dat Engeland op termijn een nieuw belastingregime zal optuigen. Enerzijds om met fiscale prikkels het bedrijfsleven te behouden en anderzijds om buitenlandse investeerders naar zich toe te trekken met een fiscaal gunstig vestigingsklimaat. Het VK is straks niet meer gebonden aan het EU-staatssteunverbod, of populair gezegd ‘het verbod op fiscale cadeautjes’. Zij kunnen straks zelf gaan bepalen welke cadeautjes zij willen gaan uitdelen, zoals bijvoorbeeld tariefverlaging, extra fiscale innovatievoordelen of een houdsterregime met een vrijstelling voor winsten en dooruitdelingen naar aandeelhouders. De fiscale speelruimte wordt dus aanzienlijk groter als het EU-staatssteunverbod niet meer geldt,  maar dit is niet onbeperkt. Binnen de OESO wordt namelijk kritisch gekeken naar fiscale cadeautjes en Engeland is lid van de OESO. Bovendien kunnen de lidstaten ook met tegenmaatregelen komen, om schadelijke belastingconcurrentie te voorkomen.
Keuzevrijheid
Uiteindelijk hangen alle scenario’s af van de keuze die moet worden gemaakt. Uittreden is één ding, maar wat komt ervoor in de plaats? Bij een volledige uittreding zijn alle Europese fiscale richtlijnen niet meer van toepassing op het VK. Deze gelden puur voor EU-situaties. Engeland kan de in nationale wetgeving geïmplementeerde richtlijnen wel blijven toepassen, maar Europese landen zullen Engeland niet meer als lidstaat zien. Dat heeft als vervelende consequentie dat bijvoorbeeld de moeder-dochterrichtlijn niet van toepassing is, met als mogelijk resultaat een belaste dividenduitkering van een Europese dochter aan de Engelse moeder.

Het VK kan ook kiezen voor het zogeheten Noorse model, oftewel het EER-verdrag, dat op zekere hoogte vergelijkbaar is met het EU-verdrag. Zo heeft het EER-verdrag ook het recht op vrij verkeer van personen en kapitaal. Er geldt een fiscaal discriminatieverbod. Personen en kapitaal moeten zich binnen de EER-zone zonder fiscale belemmeringen kunnen bewegen. Politiek bezien is toetreding tot deze zone volgens hem niet waarschijnlijk. De Britse Brexit-stemmers zijn juist niet voor het vrije verkeer van personen. Bovendien hangt aan de toetreding tot de EER een jaarlijks prijskaartje en juist de contributie voor het EU-lidmaatschap was een belangrijke reden om tegen de EU te stemmen. Maatwerk, zoals bij het Zwitsers model, ligt meer voor de hand. Zwitserland heeft allerlei afzonderlijke onderwerpen geregeld met de EU in afzonderlijke verdragen..
Strategisch denken
Het VK heeft nog officieel twee jaar de tijd om het vertrek uit de EU te regelen. Het is nog te vroeg om actie te ondernemen. Het bedrijfsleven dient de ontwikkelingen goed te blijven volgen. Het is echter niet te vroeg om na te denken over scenario’s en strategieën. Met het in kaart brengen van mogelijke oplossingen – afhankelijk van het gekozen model (enkel uittreden of Noors model/EER-verdrag dan wel Zwitsers model) – kan men de fiscale gevolgen van de Brexit op tijd ondervangen.

2018-05-28T11:18:47+00:00 29 juni, 2016|