Als een afnemer niet kan of wil betalen, kan de ondernemer ongeacht de reden van niet-betaling de Belastingdienst verzoeken om teruggaaf van de btw die hij al heeft afgedragen. De procedure voor teruggaaf wordt echter als ingewikkeld en tijdrovend ervaren. Daarom wil het ministerie van Financiën de regeling aanpassen. Op 12 juli jl. is het conceptwetsvoorstel ter consultatie gepubliceerd.

Als een afnemer geheel of gedeeltelijk niet betaalt, kan de ondernemer de btw die is begrepen in die oninbare vordering niet als voorbelasting in aftrek brengen in de btw-aangifte. Hij moet in dat geval een afzonderlijk verzoek om teruggaaf indienen bij de Belastingdienst binnen een maand na oninbaar worden van de vordering. Het gaat hier overigens niet alleen om niet-betaling van de in rekening gebrachte vergoeding maar ook om:

  • annulering, verbreking, ontbinding van overeenkomsten voor de levering van goederen en het verrichten van diensten; en
  • een prijsvermindering of volledige kwijtschelding nadat de goederenlevering of dienstenverrichting heeft plaatsgevonden.

Tijdstip van oninbaarheid

Het recht op btw-teruggaaf ontstaat op het tijdstip dat de oninbaarheid kan worden vastgesteld. Het vaststellen van dit tijdstip is echter vaak lastig, waardoor de ondernemer het verzoek soms te vroeg en soms te laat indient. Als het verzoek niet op tijd wordt ingediend, heeft de ondernemer geen rechten van bezwaar en beroep meer en is hij aangewezen op de ambtshalve afwikkeling van zijn verzoek door de inspecteur. Ingeval van faillissement kan het jaren duren voordat de gehele of gedeeltelijke oninbaarheid van een vordering definitief kan worden vastgesteld en aan de fiscus kan worden aangetoond. Om deze en andere vergelijkbare problemen te voorkomen, stelt het kabinet het volgende voor. De oninbaarheid zal in ieder geval geacht worden te ontstaan op het moment dat de vordering 1 jaar, nadat deze opeisbaar is geworden, nog niet is betaald. Daarbij wordt uitgegaan van de uiterste datum waarop volgens de leveringsovereenkomst een vordering in zijn geheel moet zijn betaald.

Geen apart teruggaafverzoek meer

Onder de huidige regeling moet de ondernemer het teruggaafverzoek in verband met oninbare vorderingen indienen via een afzonderlijke brief aan de eigen inspecteur. Het kabinet stelt voor om de crediteur zelf het bedrag van de teruggaaf in mindering te laten brengen op de periodieke btw-aangifte. Het bedrag van de teruggaaf wordt – net als nu – berekend naar evenredigheid van het niet-ontvangen deel van de eerder in rekening gebrachte vergoeding. Indien een vordering op een later tijdstip alsnog wordt betaald, moet de ondernemer de eerder in mindering gebrachte btw opnieuw op aangifte voldoen.

Correctie door afnemer

Onder de huidige regeling moet de afnemer de in aftrek gebrachte btw terugbetalen indien en voor zover hij twee jaar na het opeisbaar worden nog niet heeft betaald. Het kabinet wil voor de afnemer de termijn waarna bij niet-betaling de eerder in aftrek gebrachte btw moet worden gecorrigeerd, terugbrengen van twee naar één jaar. Dit is in lijn met de termijn van één jaar waarna recht op teruggaaf ontstaat bij de ondernemer die het goed of de dienst heeft geleverd.

Overgangsrecht

De voorgestelde wijzigingen zouden op zijn vroegst al per 1 januari 2017 van kracht kunnen worden. Dat betekent dat op 1 januari 2017 al bestaande vorderingen op grond van overgangsrecht als oninbaar worden aangemerkt op 1 januari 2018, voor zover het verschuldigde bedrag op die datum nog steeds niet is ontvangen.