De Hoge Raad heeft op 24 december 2021 een belangrijk arrest gewezen waarin is beslist dat het sinds 2017 bestaande forfaitaire methodiek voor de berekening van de vermogensrendementsheffing in box 3 voor de inkomstenbelasting in strijd is met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod. In dit artikel gaan wij kort in op het stelsel van de vermogensrendementsheffing, op belangrijke punten uit het arrest van de Hoge Raad en op enkele aandachtspunten voor de praktijk.

  1. Het stelsel van de vermogensrendementsheffing in box 3

In de jaren vóór 2017 vond belastingheffing over vermogen in box 3 voor de inkomstenbelasting plaats op basis van een forfaitair inkomen van 4% van het belastbare vermogen vermenigvuldigd met een belastingtarief van 30%. Dit kwam neer op een effectief tarief van 1,2%.

Vanwege het lage rendement op spaartegoeden werd in 2017 een vermogensmix geïntroduceerd om tot de berekening van het forfaitaire inkomen voor box 3 te komen. Door deze mix werd uitdrukking gegeven aan het risico-element van verschillende vermogensbestanddelen zoals spaartegoeden, beleggingen en andere vermogensbestanddelen. Hiermee wilde de wetgever tot een betere benadering van het werkelijk behaalde rendement komen.

  1. Wat besliste de Hoge Raad op 24 december 2021?

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de vraag of de forfaitaire wijze waarop het belastbare inkomen voor de heffing van inkomstenbelasting in box 3 (vermogensrendementsheffing) sinds 2017 wordt berekend, houdbaar is.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het stelsel sinds 2017 in strijd is met het eigendomsrecht (Artikel 1 Eerste Protocol EVRM) en een schending vormt van het discriminatieverbod (Artikel 14 EVRM). De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat niet het forfaitaire rendement, maar het werkelijk behaalde rendement belast moet worden aangezien het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.

  1. Wat betekent dit in de praktijk?

Uitspraak op massaal bezwaar

De staatsecretaris heeft de bezwaarschriften tegen aanslagen voor de jaren 2017 tot en met 2020 aangewezen als massaal bezwaar. Deze uitspraak heeft ten gevolg dat de Belastingdienst uitspraak zal doen op het massaal bezwaar, waarbij de uitspraak van de Hoge Raad zal worden gevolgd. Deze uitspraak zal volgens de wet uiterlijk 4 februari 2022 moeten geschieden en worden gepubliceerd in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst. Belastingplichtigen die bezwaar hebben gemaakt, krijgen dus geen afzonderlijke uitspraak op bezwaar.

De staatssecretaris heeft aangegeven dat beoogd wordt dat op 4 februari een collectieve uitspraak over de jaren 2017 tot en met 2020 gepubliceerd wordt in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst, die zo veel mogelijk op hoofdlijnen is. Hierbij moeten diverse beslissingen genomen worden over onder andere de exacte doelgroep van het rechtsherstel en de wijze waarop het rechtsherstel plaats zal vinden.

Vermindering van de aanslag massaal bezwaar 2017 en 2018
Voor belastingplichtigen met box-3-vermogen die bezwaar hebben ingediend en “meelopen” in het zogenoemde massale bezwaar 2017 en 2018, zal de Belastingdienst in principe binnen zes maanden, in casu 4 augustus 2022, de individuele belastingaanslagen moeten verminderen.

Vermindering aanslagen – geen massaal bezwaar?

De staatssecretaris heeft in de aanbiedingsbrief aangegeven op welke aanslagen het box 3-arrest in ieder geval gevolgen heeft:

  • aanslagen die per 24 december 2021 nog moeten worden opgelegd;
  • aanslagen die op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststonden, oftewel aanslagen met een dagtekening van 12 november of daarna;
  • aanslagen die “meelopen” in het massaal bezwaar voor de jaren 2019 en 2020.

De staatssecretaris heeft toegezegd dat ten aanzien van de aanslagen die per 24 december 2021 nog niet zijn opgelegd of nog niet onherroepelijk vaststonden, de inspecteur uit eigen beweging de aanslag zal aanpassen, zodat de aanslagen in lijn zijn met het box 3-arrest.

Voor belastingplichtigen die over de jaren 2017 en/of 2018 (nog) geen bezwaar hebben ingediend en voor wie de bezwaartermijn van de aanslag – zes weken na de dagtekening – nog niet is verstreken, bestaat de mogelijkheid binnen de bezwaartermijn alsnog bezwaar in te dienen.

Voor belastingplichtigen die geen bezwaar hebben ingediend en voor wie de aanslag onherroepelijk vaststaat, komt de vraag op in hoeverre een beroep gedaan kan worden op een ambtshalve vermindering. De staatssecretaris heeft over deze vraag advies ingewonnen van de Landsadvocaat. Hieruit volgt dat het afwijzen van een verzoek om ambtshalve vermindering in die gevallen in principe juridisch houdbaar is. De staatssecretaris wijst volledigheidshalve wel op een tot op heden ongepubliceerde rechtbankuitspraak van 7 januari 2022 waaruit het tegendeel zou volgen. Hiertegen is echter hoger beroep ingesteld door de Belastingdienst. De exacte vaststelling van de doelgroep van de nog vorm te heven hersteloperatie is onderdeel van de complexe besluitvorming.

Het is nog niet duidelijk op welke wijze het herstel wordt vormgegeven, maar wij achten de kans groot dat gekozen wordt voor een wijze van herstel waarmee het gros van de belastingplichtigen voldoende gecompenseerd worden zonder dat elke aanslag individueel beoordeeld hoeft te worden.

Vervolg

Er is nu (iets) meer duidelijk geworden over de (voorlopige) zienswijze van de staatsecretaris over de gevolgen van het box 3-arrest. Toch is er nog veel onzeker. Het kabinet verwacht bij de Voorjaarsbesluitvorming echt keuzes te maken voor de hersteloperatie.